Mijn D&B Sluiten Contact Sluiten Winkelmand Sluiten
Terug naar het overzicht

Gevolgen einde overgangsregeling saldolijfrenten

Op 1 januari 2001 werd de huidige Wet inkomstenbelasting ingevoerd. Hierin is destijds een overgangsregeling opgenomen voor zogenaamde saldolijfrenten die vóór 14 september 1999 zijn afgesloten. Op 31 december 2020 eindigt deze overgangsregeling. In dit artikel bespreken we de gevolgen hiervan. Zo kun jij jouw klant hierover tijdig informeren en mogelijke alternatieven bespreken.

02-11-2020
Patrick van Erp
10 min.

Een saldolijfrente is een polis waarbij het premiebedrag (deels) niet aftrekbaar is geweest, waardoor uitkeringen (deels) onbelast ontvangen konden worden. Met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geldt dat saldolijfrenten in box 3 vallen. Voor saldolijfrenten die al bestonden vóór 14 september 1999 geldt een overgangsregeling. In deze overgangsregeling is vastgelegd dat de fiscale behandeling van deze polissen tot 31 december 2020 in box 1 plaatsvindt. Per 1 januari 2021 vervalt de overgangsregeling en gaan de polissen over naar box 3. Bij deze overgang van box 1 naar box 3 moet de polishouder inkomstenbelasting betalen over het rentebestanddeel in de polis. Deze afrekening vindt plaats tegen een bijzonder tarief van 45%.

Spreiden of uitstellen belastingdruk

Om de gevolgen van het einde van de overgangsregeling voor saldolijfrenten goed te begrijpen, gaan we even terug in de tijd. In het verleden was de saldolijfrente een geliefd instrument om de belastingdruk, van vaak vermogende particulieren of dga’s, te spreiden of uit te stellen. Een deel van het vermogen werd in een polis gestort. Deze polis verstrekte vervolgens vanaf een bepaald moment periodieke uitkeringen aan de begunstigde van de polis. Op deze manier kon in de oude Wet op de Inkomstenbelasting 1964 de heffing over de termijnen een tijd worden uitgesteld.

Onderverdeling saldolijfrenten

In 2019 besloot het kabinet om de saldolijfrenten onder te verdelen in twee groepen:

  1. Saldolijfrenten waarvan de betaalde premies deels aftrekbaar en deels niet aftrekbaar waren in het jaar van storting. Deze verzekeringen worden bij de uitvoering hybride saldolijfrenten
  2. Saldolijfrenten waarvan de betaalde premies geheel niet aftrekbaar waren in het jaar van storting. Deze verzekeringen worden bij de uitvoering zuivere saldolijfrenten

Voor de toepassing van de overgangsregeling verdelen we de zuivere saldolijfrenten vervolgens onder in vier groepen:

  1. Zuivere saldolijfrenten gesloten vóór 14 september 1999 met een eenmalige koopsomstorting
    Voor deze polissen geldt in de overgangsregeling een eerbiedigende werking. De polis valt in box 1. Dit houdt in dat in de uitkerende fase alleen belasting in box 1 betaald hoeft te worden over het rentebestanddeel van het opgebouwde kapitaal.

Voorbeeld:
Jaap sloot in 1995 een direct ingaande saldolijfrente af. Hiervoor stortte hij eenmalig een koopsom van € 400.000. De jaarlijks uitkering uit deze polis bedraagt € 12.500. Op basis van deze gegevens is na 32 jaar de oorspronkelijke inleg uitgekeerd. De termijnen na deze 32 jaar bestaan volledig uit rente en worden als belastbare periodieke uitkeringen belast in box 1.

  1. Zuivere saldolijfrenten gesloten vóór 14 september 1999 met een doorlopende premiebetaling ná 14 september 1999, waarbij de maximale jaarpremie € 2.269 bedraagt
    Voor deze polissen geldt dezelfde eerbiedigende werking in de overgangsregeling. In de uitkerende fase wordt de uitkering in box 1 belast zodra de uitkeringen hoger zijn dan de ingelegde premies. Dit geldt ook voor jaarpremies die ingelegd zijn ná 14 september 1999. Deze jaarpremies mogen niet hoger zijn dan € 2.269.
  2. Zuivere saldolijfrenten gesloten vóór 14 september 1999 met een doorlopende premiebetaling ná 14 september 1999, waarbij de jaarpremie hoger is dan € 2.269
    Voor deze polissen beperkt de eerbiedigende werking zich tot de uitgekeerde termijnen die voortkomen uit de gestorte jaarpremies. Bij de beoordeling van de vrijgestelde uitkering wordt de jaarpremie tot maximaal € 2.269 in de berekening betrokken.

    Toen de Wet IB 2001 werd ingevoerd, moest voor deze polissen verplicht worden afgerekend. Deze afrekening vond plaats over de renteaangroei die voortkwam uit de stortingen hoger dan € 2.269. Deze stortingen moeten hebben plaatsgevonden tussen 14 september 1999 en 1 januari 2001. Als ná 1 januari 2001 nog steeds een jaarpremie wordt ingelegd die hoger is dan € 2.269, dan valt het meerdere inclusief de daaraan verbonden renteopbouw in box 3.
  1. Zuivere saldolijfrenten gesloten vanaf 14 september 1999
    Deze polissen vallen vanaf 1 januari 2001 volledig in box 3.

Overgangsregeling vervalt enkel voor zuivere saldolijfrenten

Het kabinet heeft inmiddels besloten om de overgangsregeling voor de hybride saldolijfrenten niet te beëindigen op 31 december 2020. Beëindiging van de overgangsregeling voor hybride saldolijfrenten zou betekenen dat de polissen opgesplitst moeten worden in een polis in box 1 en een polis in box 3. Het kabinet vindt de administratieve last die daarmee gepaard gaat voor verzekeraars en de Belastingdienst niet gewenst. Daarom blijft de overgangsregeling voor deze polissen van kracht.

Voor de tweede variant, de zuivere saldolijfrenten, vervalt de overgangsregeling wel op 1 januari 2021. Dat heeft nogal wat financiële gevolgen voor de bezitters van deze polissen.

Gevolgen einde overgangsregeling saldolijfrenten

Door het vervallen van de overgangsregeling voor zuivere saldolijfrenten ontvangen polishouders op 1 januari 2021 een afrekening over het spaardeel in de waarde van de polis. Voor de saldolijfrenten met premiebetaling hoger dan € 2.269 per jaar wordt afgerekend over het rentebestanddeel dat opgebouwd is met de jaarlijkse inleg tot maximaal € 2.269. Zoals gezegd vindt de fiscale afrekening in box 1 plaats tegen een tarief van 45%. Daarna verhuist de polis naar box 3.

Op 1 april 2020 informeerde de Belastingdienst de levensverzekeraars over de manier waarop de afrekening per 31 december plaats gaat vinden. De betreffende levensverzekeraars moeten de Belastingdienst per polis de volgende informatie verstrekken:

  • de waarde in het economisch verkeer van het recht in de polis per 31 december 2020;
  • het totaal aan betaalde premies per polis op 31 december 2020;
  • het totaalbedrag aan genoten uitkeringen per polis op 31 december 2020.

Voor de berekening van de waardering van het recht in het economisch verkeer moet de verzekeraar uitgaan van de Netto Contante Waarde methode. Hierbij worden de toekomstige uitkeringen van de zuivere saldolijfrente netto contant gemaakt op 31 december 2020. Bij het bepalen van de contante waarde van de toekomstige uitkeringen gelden de volgende uitgangspunten:

  • afgesproken rendement over het opgebouwde kapitaal;
  • de geprognotiseerde sterftekans op 31 december 2020;
  • de rekenrente bij het contant maken van de toekomstige uitkeringen wordt gesteld op het u-rendement vermeerderd met 0,5%.

Bevat de polis een variabele rentevergoeding, winstdeling en/of belegd kapitaal? Dan geldt voor de opgebouwde waarde vanaf 31 december 2020 dat uitgegaan wordt van de aanwezige waarde op 31 december 2020.

Mogelijke alternatieven voor jouw klant

Je klant met een zuivere saldolijfrente heeft uiteraard de mogelijkheid om de polis aan te houden en in 2021 fiscaal af te rekenen over het rentebestanddeel uit de vastgestelde waarde op 31 december 2020. Dit kan ertoe leiden dat de aanslag inkomstenbelasting 2020 fors hoger is dan verwacht. Hierdoor ontstaan mogelijk liquiditeitsproblemen bij de klant. Is dit het geval? Dan kan jouw klant na ontvangst van de aanslag inkomstenbelasting 2020 alsnog besluiten om de polis af te kopen. Op die manier kan jouw klant alsnog voldoen aan de betalingsverplichting vanuit de Belastingdienst. Met deze onbelaste afkoop kan de klant de mogelijke liquiditeitsproblemen oplossen op dat moment.

Afhankelijk van de persoonlijke situatie van jouw klant, kan het interessant zijn om de polis nog vóór 31 december 2020 af te kopen. Je klant loopt daarmee een klein belastingvoordeel mis, want bij afkoop wordt afgerekend tegen de huidige tarieven in box 1 en niet tegen het bijzondere tarief van 45%. Daartegenover staat dat er bij een afkoop vóór 31 december 2020 afgerekend wordt over de actuele waarde van de polis en niet over de contante waarde van de toekomstige uitkeringen. Door de lage rekenrente kan deze contante waarde hoog oplopen. Dit is natuurlijk ook afhankelijk van de resterende looptijd.

Welke optie voor jouw klant het meest aantrekkelijk is, hangt af van zijn financiële positie en zijn wensen en doelen. Ga daarom tijdig met je klant in gesprek om te bekijken welke optie het beste bij hem past.

Delen:
Patrick Van Erp Dukers & Baelemans
Patrick van Erp

Patrick is opleidingsprofessional bij Dukers & Baelemans. Hij is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en training van bovenwettelijke opleidingen zoals bijvoorbeeld de Leergang FFP, de Leergang Vermogensplanner en diverse maatwerk opleidingen.

Gerelateerd nieuws

Dukers & Baelemans maakt gebruik van cookies om jouw websitebezoek makkelijk en persoonlijker te maken. Door op accepteren te klikken, ga je hiermee akkoord. Je kunt je voorkeuren en toestemming altijd wijzigen. Bekijk ons privacybeleid en cookieverklaring voor meer informatie.